Vooruitstrevend gangbaar met biologische finnesses

Melkveehouder Karst Breeuwsma is een gangbare boer met de focus op rendement. Toch mag dit volgens hem niet ten koste gaan van de natuur en de bodemvruchtbaarheid. Zo richtte hij zonder subsidie 10 hectare grasland in voor weidevogels, verving hij KAS door ureum en experimenteert hij met alternatieve grasmengsels.

Binnenkort laat Karst Breeuwsma uit Oldeboorn (FR) weer een aantal greppels volstromen met water, zo vol dat het water het land op stroomt. Dit volledig in dienst van de weidevogels. Het is voor de veehouder een van de maatregelen die hij neemt om de weidevogels weer terug te krijgen op zijn land. En niet zonder succes. In drie jaar tijd steeg het aantal broedparen naar 55.

Uitdaging

Oorspronkelijk zaten er ook veel weidevogels op de plek waar Karst samen met zijn vader Jan Lieuwe en moeder Jacqueline in maatschap boert. Voor de ruilverkaveling in 1975 waren er op deze plek veelal kleine percelen met veel sloten, een klimaat waar weidevogels graag in verkeren.

Met de ruilverkaveling kwam Jan Lieuwe, die toen met zijn vader in maatschap zat, op de huidige locatie terecht. Daarvoor hadden ze een bedrijf op een kilometer afstand. De ruilverkaveling leverde grotere percelen op met veel minder sloten. Het kwam de vogelstand echter niet ten goede. Toen Karst in 2012 in de maatschap kwam, waren er nog maar enkele broedparen in hun land.

Karst, als echte weidevogelliefhebber, had hier geen vrede mee. De jonge veehouder ervoer dat de gangbare wijze van graslandbeheer een negatieve invloed had op de weidevogelstand. „Ik wilde extra focussen op duurzaamheid. Dit betekent ook rekening houden met natuur en bodemgezondheid. Dat gaat naar mijn idee prima hand in hand met rendement.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel
In het voorjaar laat Karst op tien hectare alle greppels onder water lopen. Zo wil hij een beter leefklimaat creëren voor de weidevogels. Dit is niet zonder succes.

Geen subsidie

Gangbaar weidevogelbeheer zet volgens Karst te weinig zoden aan de dijk. „Je kunt de nesten lokaliseren en er omheen rijden, maar voor weidevogels is dit niet voldoende. Ze houden van vochtig, kaal land, waar voldoende insecten zijn. Zodra de jongen uit het ei komen, is het belangrijk dat het gras niet te lang is, zodat ze goed voedsel kunnen zoeken, maar aan de andere kant moeten ze hun vluchtgedrag ook weer kunnen vertonen in langer gras, als er gevaar dreigt.”

Daarom koos Karst ervoor om van de ruim 105 hectare die ze in gebruik hebben, 10 hectare grasland helemaal in te richten voor de weidevogels. Door het laten vollopen van de greppels, het zogenoemde plas-dras, komen veel insecten en andere beestjes op het gebied af. Ook maait hij stroken voor de jonge kuikens. Verder wordt er op deze percelen vaste mest en minimaal drijfmest en kunstmest gereden. „Wanneer je het gras bemest met veel snel beschikbaar stikstof, groeit de graszode sneller dicht en blijven insecten kleiner doordat ze minder zonnewarmte opvangen. Dit betekent minder goed voer voor de kuikens.”

De grasopbrengst op deze 10 hectare is veel lager. Om de opbrengstderving te compenseren stelde Karst alles in het werk om in aanmerking te komen voor weidevogelsubsidie, maar tot op heden zonder succes. „Ons bedrijf is niet ingetekend als weidevogelgebied. Dit komt omdat ze kijken naar het verleden en toen waren hier weinig weidevogels.” Wel of geen subsidie, de veehouder blijft op de ingeslagen weg doorgaan. De passie voor de weidevogel wint het van het economische plaatje.

Potstal

De overige 95 hectare staat in dienst van het ruwvoer voor de 230 melk- en kalfkoeien die op het bedrijf aanwezig zijn. Toen Karst in 2012 in maatschap kwam, waren dit er nog 160. De oude stal raakte vol en daarom bouwden ze een nieuwe stal achter de oude stal uit 1976. Het werd een vierrijige ligboxenstal met twee voerpaden waarvan één aan de buitenkant van de stal. „Als we het voerpad aan de buitenkant wilden overkappen, werd de stal nog breder en hoger. Dit scheelde aanzienlijk in de kosten. Een enkele keer wordt het voer nat, maar we zien dit niet terug in een verminderde voeropname.”

Opvallend bij de nieuwbouw is de keuze voor een 500 vierkante meter grote potstal voor koeien vanaf vier weken voor het afkalven tot het moment van afkalven. Dit levert jaarlijks 500 ton vaste mest op. De pot wordt ingestrooid met een opraapwagen met dwarsafvoerband, die ‘s zomers ook wordt gebruikt voor het stalvoeren. „Met deze potstal wilde ik twee doelen nastreven: een ideale huisvesting voor droge koeien tot en met afkalven, maar ook vaste mest om de bodemvruchtbaarheid van het land te verbeteren.” De percelen voor de weidevogels krijgen daarbij een dubbele hoeveelheid stromest. Voor de droge koeien is het volgens de veehouder een verademing. „Negentig procent kalft zonder hulp.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel

Om de ruimte efficiënt te benutten en de kosten van de bouw te beperken, koos de veehouder voor een voergang aan de buitenkant. Een enkele keer wordt het voer nat, maar dat ziet hij niet terug in een verminderde voeropname. De betonvloer is afkomstig van schaatsstadion Thialf, waar zijn broer Daan professioneel shorttracker is.

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel

De vierde robot bevindt zich in de oude stal, waar alle aandachtskoeien lopen. Deze groep bestaat uit koeien die onvoldoende op de robot lopen en koeien die problemen hebben met de (klauw)gezondheid. Ze worden twee keer per dag opgesloten in een wachtruimte, zodat ze minimaal twee keer per dag gemolken worden.

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel

Bij de nieuwbouw koos de veehouder ervoor om een 500 vierkante meter groot strohok te bouwen voor de droge koeien vanaf vier weken voor afkalven. De stromest past goed in het plaatje dat hij voor ogen heeft ten aanzien van gezond bodembeheer. Op het weidevogelland komt de dubbele hoeveelheid stromest.

Cursus bodemvruchtbaarheid

Karst vindt dat bij de gangbare melkveehouderij de bodemvruchtbaarheid veel te weinig aandacht krijgt. „Alles is gericht op de korte-termijnproductie van het land. Hoge graslandproductie is op zich geen verkeerd streven, want ik wil ook een goede grasopbrengst, maar we moeten ook duurzaam met onze bodem omgaan voor de toekomst. Mijn visie is dat een gezonde bodem gezond voer geeft en daardoor weer gezonde koeien.”

Om zijn kennis op dit gebied op te vijzelen volgde hij een cursus bodemvruchtbaarheid. Hier werden zijn ogen naar eigen zeggen geopend. Volgens Karst is de moderne manier van bemesten heel erg gericht op korte-termijnproductie en veel minder op productie voor de lange termijn.

Naar aanleiding van de kennis die hij opdeed met de cursus strooit hij geen KAS meer, maar ureum. „In KAS is de stikstof voor een groot deel opneembaar in nitraatvorm. Dit is een snel opneembare vorm die met het aantrekken van veel vocht zorgt voor een snelle groei van de plant. Ureumkunstmest komt juist beschikbaar in ammoniumvorm waardoor de plant trager en gelijkmatiger groeit. Dit zorgt voor een sterkere plant, maar ook voor een eiwitvorm die de koe beter kan verteren.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel
Wat de onderbouw betreft, is de nieuwe stal een aantal meter achter de oude stal gebouwd. Deze tussenruimte is wel overdekt en volgens Karst ideaal om allerlei klussen te doen en als berging voor de machines. Opmerkelijk is dat hij de perspulp en het meel, met toevoeging van water, ’s avonds al klaar zet voor de volgende ochtend. Volgens de veehouder blijft het meel daardoor plakken aan de perspulp en is er minder kans op selectie.

Hoger DVE-gehalte

Karst merkt duidelijk dat door de ureumkunstmest het gras een hoger Darm Verteerbaar Eiwit (DVE)-gehalte, een lagere Onbestendige Eiwit Balans (OEB) en een lager nitraatgehalte heeft. „De koe kan het eiwit in het gras daardoor beter verteren. Bij een hoog OEB moet je weer veel energie voeren om de energie-eiwitbalans op peil te krijgen. Ook krijg je sneller een hoger ureum. Ik streef naar een ureum van onder de 20 en dat gaat prima.”

De tragere groei lijkt ten koste te gaan van de opbrengst. Toch is de uiteindelijke opbrengst volgens Karst niet lager. „Gras dat met KAS is bemest, lijkt massaler, maar er blijft verhoudingsgewijs minder van over. Het bevat namelijk veel meer vocht. Ik merk ook dat het gras dat met ureum is bemest, sneller droogt”, merkt hij op.

Een nadeel van ureum is dat de stikstof makkelijk vervluchtigt. Daarom rijdt hij de kunstmest altijd bij vochtig weer of ‘s avonds, bij dauw, uit. Ureummeststof met nitrificatieremmer om het vervluchtigen van stikstof tegen te gaan, wil Karst niet gebruiken. „Met een nitrificatieremmer leg je naar mijn idee ook de gunstige bacteriën in de bodem tijdelijk stil. Ik wil juist dat het bodemleven ongestoord zijn werk kan gaan.”

Geen monocultuur

Ook op de teelt van gras heeft Karst een afwijkende visie. Hij is kritisch op de monocultuur met Engels raaigras en experimenteert met rietzwenk, festulolium (kruising tussen raaigrassen en rietzwenkgras) en beemdlangbloem. „Er is altijd maar gefocust op een hoge grasproductie. Het grasaanbod is daardoor erg eenzijdig. Het gras is snel verteerbaar, waardoor koeien sneller problemen krijgen met de gezondheid. Ook weidevogels komen eerder in de problemen met een monocultuur van Engels raaigras, omdat het enorm snel groeit.”

Daarnaast wil Karst zo weinig mogelijk bestrijdingsmiddelen gebruiken, omdat die volgens hem een sterk negatief effect op het bodemleven hebben. „Ik spuit nu alleen pleksgewijs tegen onkruid.”

Grasland helemaal doodspuiten en opnieuw inzaaien ziet de veehouder daarom niet meer zitten. Met deze gedachte schafte de familie een doorzaaimachine aan. „Door elk jaar een paar percelen door te zaaien houd je de productie van het grasland op peil. Daar komt bij dat we hier in een ganzengedooggebied zitten en de ganzen in het voorjaar veel schade aanrichten aan de zode”, legt de melkveehouder uit. „Als natuurliefhebber heb ik ook oog voor ganzen, maar met het huidige ganzenbeleid wordt dit erg overtrokken. De almaar uitbreidende ganzenpopulatie is op deze manier een bedreiging voor de natuur.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel
De jongveestal en stroberging. Hier loopt het jongvee vanaf spenen tot ongeveer vier weken voor afkalven. Daarna gaan ze in het strohok bij de droge koeien. De jongste kalveren lopen in de schuur van de woonboerderij.

Eigen robotvisie

De koeien worden met vier Lely-melkrobots gemolken. Drie van de vier robots staan in de nieuwe stal en een in de oude stal van 1976. Alle koeien die extra aandacht nodig hebben, komen bij de robot in de oude stal. Dit betreft de oudmelkte koeien die uit zichzelf minder dan twee keer per dag naar de robot gaan en de koeien die problemen hebben met de gezondheid of de klauwen. Karst: „Het scheelt tijd als je alle koeien die tijd kosten op één robot hebt. Deze koeien jagen we twee keer per dag op vaste tijden in een wachtruimte tussen de boxen, zodat ze in ieder geval twee keer worden gemolken. Bijkomend voordeel is dat oudmelkte koeien door blijven geven. Sommige oudmelkte koeien die te lang weg blijven, zetten zichzelf bijna droog. Dat voorkom je op deze manier.”

De flinke koppel en het melken met robots weerhoudt de familie Breeuwsma niet om te blijven weiden. Dit betekent dat de koeien op de drie robots in de nieuwe stal naar buiten mogen. De aandachtgroep blijft altijd binnen.

Krachtvoerachtige voorweken

Voor het voerhek ligt jaarrond een basisrantsoen voor 25 kilo melk, ook in de weideperiode. „We dwingen de koeien niet om te weiden. Ze mogen zelf kiezen hoe lang ze buiten willen blijven. Het gaat ons vooral om het plaatje”, legt Karst uit. Het rantsoen voor de melkkoeien is zowel voor de grote groep in de nieuwe stal als de aandachtgroep gelijk. Het rantsoen bestaat uit graskuil aangevuld met 7 kilo perspulp en ongeveer 3,5 tot 4 kilo meel met geplette gerst, geplette tarwe en sojahullen.

Om selectie van krachtvoerachtige producten tegen te gaan, voegt Karst water toe aan het rantsoen. Zo blijft het meel aan het andere voer plakken. Door het toevoegen van water wordt de kuil echter slapper en sneller verteerbaar en dat wil hij liever niet. Daarom wordt er momenteel geëxperimenteerd, waarbij de perspulp en het meel, samen met het water, ‘s avonds al in de mengwagen wordt geladen. De volgende ochtend wordt de graskuil toegevoegd.

Ze voeren geen snijmaïs. „Onze grond is erg gevoelig voor structuurschade, waardoor het een te groot risico is om maïs te verbouwen. We hebben een paar jaar foliemaïs geprobeerd, maar dat was ook geen succes vanwege de hoge kosten.”

In de melkrobot wordt naast productiebrok ook sojameel gevoerd. In totaal komt de krachtvoergift inclusief meel en perspulp uit rond de 30 kilo brok per 100 kilo melk. Karst: „Dit is wat mij betreft aan de hoge kant. Dit komt omdat we niet besparen op krachtvoer tot de koe drachtig is. Daarna zitten we wel strak op de voergift. Door nieuwmelkte koeien goed te voeren, voorkom je veel problemen met de negatieve energiebalans en krijg je de koeien veel beter drachtig.” Dit vertaalt zich dan ook in een gemiddelde tussenkalftijd van rond de 390 dagen.

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel
Om de kosten laag te houden, doet Karst zoveel mogelijk zelf. Dit geldt zowel voor het landwerk als het onderhoud van de machines. Zijn vader en broer Daan helpen hem hierbij. Ze trekken zo een machine uit elkaar, getuige deze foto.

Liquiditeitsbegroting

Het rollend jaargemiddelde zit rond de 9.100 kilo melk met 4,30 procent vet en 3,52 procent eiwit. Hiermee zijn ze tevreden. „Dit is een productie die bij ons past. Door de intensiteit streven we zeker geen lagere productie na, maar we melken ook niet op de laatste liters. De koe moet vooral gezond zijn en het moet makkelijk gaan. Dat vinden wij veel belangrijker.”

Uiteindelijk draait het bij de familie Breeuwsma ook om economisch rendement. De kosten in de hand houden en duidelijk inzicht houden in het liquiditeitsverloop en daarop anticiperen, is het motto van de ondernemers. „Ik maak elk jaar een liquiditeitsbegroting en houdt dit per maand bij, zodat ik niet voor verrassingen kom te staan”, merkt Karst op. Lage kosten betekent voor hen zo veel mogelijk zelf doen en zo weinig mogelijk investeren in luxe. „We zijn allround boer en doen veel dingen zelf, van bekappen tot lassen. Daar houd je de kosten laag mee.” Ook kozen ze bij de nieuwbouw bijvoorbeeld niet voor duur windbreekgaas, maar kwam er een kuildekkleed langs de stal. „Dit werkt prima, alleen het oogt wat minder mooi.”

MRIJ op smalle koe

De Breeuwsma’s noemen zichzelf geen fokkers, maar hebben wel een duidelijke fokkerijstrategie. „Wij willen een koe die in balans is. Daarbij houd ik het aAa-gedachtegoed voor ogen”, stelt Karst. De koeien worden tot op heden nog niet gecodeerd, maar vermoedelijk gaat dat in de toekomst wel gebeuren. Bij de stierkeuze schat Karst in welke aAa-codes de koeien het meest nodig hebben en maakt de paringen op basis van zijn gevoel.

De stieren worden geselecteerd op melkproductie, eiwitpercentage en de klauwen. Over het algemeen gebruiken ze niet de duurste stieren. Ook een proefstier met een goede afstamming wordt gerust ingezet. Op dit moment insemineren ze met de jonge Kampen-stieren Groover en Mainport en met de KI Samen-fokstieren Malando en Santana. Ook krijgt de witrug-stier Murphy, eveneens van KI Samen, kansen. Ook de MRIJ-stieren Remco en Rens, beide van KI Kampen, zet Karst met enige regelmaat in. „Op smalle, hoge koeien zet ik gerust een MRIJ-stier. De kruisingen met MRIJ doen het bij ons erg goed. Onze oudste koe heeft zelfs een MRIJ-stier als vader. Wij hebben daar meer vertrouwen in dan in de buitenlandse rassen Montbéliarde en Fleckvieh. De MRIJ heeft zich onder Nederlandse omstandigheden bewezen en de cijfers zijn betrouwbaar.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel
Het bedrijf is ontstaan uit een ruilverkaveling. De oude stal is van 1975. De nieuwe stal erachter is van 2012, hetzelfde jaar waarop Karst bij zijn ouders in maatschap kwam. Bij het bedrijf horen twee woningen.

Sympathie voor biologisch

De keuzes die de familie Breeuwsma maakt, neigen naar het biologische gedachtegoed. Karst heeft ook wel sympathie voor biologisch boeren. „In de gangbare veehouderij mis ik vooral de focus op bodemgezondheid in relatie tot koegezondheid.” Overstappen op biologisch is wat hem betreft iets voor de toekomst. „Alleen voor de hoge melkprijs hoef je het niet te doen, het moet bij je passen en ik wil daar langzaam heen groeien.”

Het is volgens hem niet makkelijk om je idealen na te streven en daarbij het rendement niet uit het oog te verliezen. „Het is bijvoorbeeld veel makkelijker om op de huidige manier met kunstmestgebruik en gewasbescherming door te gaan. Dit wil ik juist niet. Op korte termijn levert dat misschien meer rendement, maar op de lange termijn breekt ons dat een keer op.”

Beeld: ©Agrio / Susan Rexwinkel

Bedrijfsgegevens

Karst (29), Daniëlle (28), Lieuwe Ids (2) en Drys Jacob (1) Breeuwsma hebben samen met Karsts ouders, Jan Lieuwe (60) en Jacqueline (58), een melkveebedrijf met 230 koeien in Oldeboorn (FR).

Het rollend jaargemiddelde ligt op 9.100 kilo melk met 4,30 procent vet en 3,52 procent eiwit. Bij het bedrijf hoort 105 hectare kleigrond. Om de weidevogelstand te stimuleren is 10 hectare grasland volledig ingericht voor weidevogelbeheer.

Daniëlle werkt als laborante, maar helpt ook mee op het bedrijf. Bij het landwerk worden ze zo veel mogelijk geholpen door broer Daan, die in het dagelijks leven actief is als shorttracker. Karst is naast het boerenwerk nog bestuurlijk actief bij de plaatselijke afdeling van het CDA, de Rabobank en de Vogelwacht.

Breeuwsma streeft er naar om gangbare landbouw te combineren met duurzaam bodem- en graslandmanagement. Zo gebruiken ze ureummeststof in plaats van KAS, zijn ze tegen volveldse onkruidbestrijding en wordt er geëxperimenteerd met andere grassoorten.

In 2012 bouwde de familie Breeuwsma een nieuwe stal achter de oude stal, met plaats voor 200 melkkoeien. In de nieuwe stal wordt gemolken met drie melkrobots. In de oude stal melken ze ook met één robot en is er een aandachtgroep gecreëerd. Deze groep bestaat uit koeien die onvoldoende op de robot lopen en koeien die problemen hebben met de gezondheid of de klauwen. Ze worden twee keer per dag opgesloten in een wachtruimte, zodat ze minimaal twee keer per dag gemolken worden.

Dit verhaal is het resultaat van een samenwerking tussen Agrio en het Ministerie van LNV en kan eerder zijn gepubliceerd in een of meerdere uitgaven van Agrio. Op het gebruikte beeld rust copyright.